Geloven in 3 procent

Terwijl het kabinet en de gedoogpartner in het Catshuis op zoek zijn naar miljarden, beginnen buitenlandse waarnemers het vertrouwen in Nederland te verliezen. Nederland zakt langzaam weg uit de kopgroep van Eurolanden. Ratingagency Standard & Poor’s liet in december al weten dat het zich afvraagt of Nederland z’n Triple-A status nog wel waard is. En sinds afgelopen vrijdag rekent Citigroup Nederland niet meer tot de ‘kernlanden’ van Europa, met een gezonde financiële moraal en structuur. Op de kapitaalmarkten loopt de Nederlandse rente dan ook langzaam weg van de Duitse. Een slecht teken. Duitsland vormt zo langzamerhand in z’n eentje het hart van Europa als het om financiële stabiliteit gaat.

Als het aan de financiële markten ligt, kortom, moet Nederland bezuinigen. Maar: moet dat nou echt?

Hoe zinnig is die 3 procents eis? We zitten in een keiharde crisis, dan kunnen we toch wel iets meer tijd nemen om aan de norm te voldoen? Beschadigen we onze economie niet als we nu keihard gaan ingrijpen?

Dat is allemaal waar. Een Europese norm voor een financieringstekort is net zo dom als een norm voor, laten we zeggen, een maximaal gewicht voor Europese burgers. Het ene land is het andere niet, en de snelheid waarmee je naar zo’n norm kunt en moet toegroeien, hangt ook nogal van de omstandigheden af.

‘Drie procent en morgen graag’, is dus een raar uitgangspunt. Toch doet Nederland er goed aan zich er wel aan te houden.

Dat zit zo. Ook voor Nederland is een tekort van 3 procent geen maatwerk. Het is echter geen te strenge, maar een te slappe eis. Rekening houdend met de vergrijzing had Nederland allang een overschot op de begroting moeten hebben, zo rekende het Centraal Planbureau een paar jaar geleden al voor. Nederland schuift nog steeds jaarlijks ongedekte rekeningen door naar jonge generaties, het wordt steeds lastiger die balans recht te trekken.

We moeten naar een plus, dus. En daarvoor moeten we eerst terug naar die drie. Moet dat per se één jaar? Op het eerste oog lijkt hier wederom geen economische ratio voor te vinden: een geleidelijk pad is altijd beter dan een schoksgewijze aanpassing. Toch zijn de financiële markten niet gek als ze daadkracht eisen. Markten draaien om vertrouwen, en achter dat vertrouwen gaat wel degelijk economische logica schuil. Als het braafste jongetje uit de klas verkeerde vrienden krijgt, gaat puberen, aan de drugs gaat of om andere redenen geen zin meer heeft om hard te werken, dan ziet de toekomst er ineens heel anders uit.

Vertrouwen, kortom, speelt terecht een rol in de economische theorie. En de financiële markten beginnen het hele grote vertrouwen dat ze hadden in Nederland, te verliezen. Ze twijfelen aan de identiteit van Nederland: waar staat het land financieel voor?,  zo vragen ze zich af.

Is dat terecht? Zeker. Niet alleen de linkse oppositie die tot voor kort nog zulke klare taal sprak als het over Griekenland ging, roept steeds harder dat harde bezuinigingen taboe zijn. Ook voor gedoogpartner PVV liggen veel maatregelen gevoelig. En het rechtse kabinet laat sinds z’n aantreden na om  structurele hervormingen door te voeren die nodig zijn om de economie structureel te verbeteren.

Ik deel de zorgen van de markten dus. Het gaat mij – en hen, gok ik – er niet om exact op 3 procent uit te komen, maar toch wel dicht in de buurt. Het komt er op neer een geloofwaardig pakket neer te leggen. Van niet alleen bezuinigen, maar ook hervormingen. Een pakket dat laat zien dat Nederland z’n economische ontwikkeling serieus neemt.

Dit is een aangepaste versie van een column die 28 maart in HP/deTijd verscheen

 

Tags: , , ,

Mijn reactie

Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.